De didgeridoo (of didjeridu, uitgesproken als didzjeriedoe) is een blaasinstrument,
vooral bekend uit Australië waar de Aboriginals in Noord-Australië (Noordelijk Territorium)
het instrument reeds duizenden jaren bespelen.
Verhalen doen de ronde dat de didgeridoo al 40.000 jaar zou bestaan, enig bewijs
is hiervoor echter niet aanwezig. De oudste bewijzen in de vorm van rotstekeningen
in de Kakadu regio zijn zo'n 1000 tot 2000 jaar oud. En ook het verspreidingsgebied
geeft aanleiding om aan te nemen dat de didgeridoo maximaal zo'n 1000 tot 2000 jaar
oud is.
De didgeridoo vindt zijn oorsprong in Noord-oost-Arnhemland in Noord-Australië. Didgeridoo
is een typisch westerse naam. Er zijn twee gangbare theorieën waar de naam van didgeridoo
vandaan kan komen. De eerste is dat het een onomatopee is, afgeleid van de klank
die bij bepaalde ritmes klinkt, of dat het het antwoord was op de vraag "wat speel
je", waarop de bespeler niet het instrument noemde, maar het ritme dat hij speelde.
Maar door onderzoek van de een phd student aan Flinders Univerity, ms Dymphna Lonergan,
bestaat er nu een sterk vermoeden dat Didgeridoo afgeleid is uit het Iers, van de
woorden "dúdaire" of "dúidire"(klinkt als: doedjerrie), met de betekenissen "trompetspeler;
iemand die voortdurend een pijp rookt, blazer; persoon met een lange neus, luistervink,
nieuwsgierig persoon; zoemer, neuriër, zanger" en "dubh"(klinkt als: duv of doe),
in de betekenis "zwart" (of "duth", "oorspronkelijke bewoner"). Bij de Aboriginals
staat het instrument onder veel namen bekend, zoals: Yidaki, Yirdaki of Yaraki (Yolngu
volk, Noordoost-Arnhemland), Magu (West-Arnhemland), Kanbi en Ihambilbing.
Deze holle blaaspijp is tegenwoordig een door termieten (Mastotermes darwiniensis)
uitgeholde eucalyptusboomstam of -tak, meestal stringybark, yellow box, Darwin wooly
butt of Ironbark. Oorspronkelijk was de didgeridoo waarschijnlijk van bamboe (Bambusa
arnhemica). Dit materiaal is veel makkelijker hol te maken, zeker in de tijd dat
er nog geen goede metalen gereedschappen waren. Oude rotstekeningen laten ook de
ringen zien die kenmerkend zijn voor bamboe, en traditioneel beschilderde instrumenten
(zoals de didgeridoo die bovenaan deze pagina staat) laten vaak ringen zien die je
doen herinneren aan de ringen die bamboe standaard al heeft. Vooral de instrumenten
van Djalu Gurruwiwi hebben heel duidelijk deze ringen. En een van de traditionele
namen voor de didgeridoo is ook "bamboo".
De didgeridoo is een volksinstrument, traditioneel vaak voorzien van rarrk-motieven
(arcering, streepjes-techniek, zie ook de didgeridoo bovenaan deze pagina) in aarde/oker
kleuren. En ook relatief summiere beschilderingen in 1 of 2 kleurvlakken of met alleen
ringen (Djalu didgeridoos) zijn vrij traditioneel. Voor toeristen zijn de didges
vaak voorzien van dot paintings en felle kleuren. Grappig is dat de dot-painting
techniek uit een streek in Australië komt (het centrale woestijngebied) waar traditioneel
geen didgeridoo wordt gespeeld.
Met name in de New Age-scene vertolkt hij de brommende oerstem van "Moeder Aarde".
Hier hangt ook het verhaal aan vast, dat de aarde een soort basisklank heeft, die
op die van een didge zou lijken die in de buurt van een C of een C# klank zit (waarschijnlijk
afgeleid van de sa-grondtoon in Indiase raga's). Veel beginnende didgespelers vinden
een C of C# didge ook de prettigste didge om mee te beginnen.
In Europa, waar geen eucalyptus aanwezig is, wordt wel een uitgeholde berenklauw
gebruikt om een didgeridoo uit te maken, maar in principe kan iedere holle buis (bamboe,
PVC, enz.) van voldoende dikte (ca 4 cm binnendiameter) en lengte (1 tot 1,5 m) worden
gebruikt als een didgeridoo. En ook van inheems hout worden didgeridoos gemaakt,
vaak volgens de "stokbrood" methode. De stok wordt doormidden gezaagd en vervolgens
worden beide helften uitgehold. Tenslotte worden beide delen weer aan elkaar verlijmd.
Dit komt overeen met de manier waarop de Twentse midwinterhoorn gemaakt worden.